DE WORDING VAN DE KERK
een reconstructie


Na de dood van Alexander de Grote (323 v. Chr.) viel zijn rijk uiteen. Hoge officieren ontfermden zich over diverse delen van dit rijk. Sedertdien werd Syrië, waartoe ook Judea behoorde, geregeerd door Seleukos en zijn nakomelingen; Egypte door de Ptolemaeën. Nadat Judea zich had weten te bevrijden van de Seleuciden (167 v. Chr.) volgde er een priode van zo'n tachtig jaar, waarin er een zelfstandige staat bestond die ongeveer dezelfde omvang had als die van destijds, ten tijde van koning David. Men zag dit als een geschenk uit de hemel: immers, JHWH had aan Israël ooit een eigen land beloofd om daarin te wonen. Hij zou nooit toestaan dat vreemde heersers hun wil zouden opleggen aan Zijn volk.

Inmiddels was de expansie begonnen van het Romeinse rijk. Na de overwinning op het machtige Carthago reikten de ambities van Rome verder: ze lieten zich zien in het Oostelijke gedeelte van de Middellandse Zee. In het eerste Maccabaeënboek komen we hen nog tegen als bondgenoten van het Joodse volk (I Macc. 15:17-21). Maar dit bondgenootschap bleek bedriegelijk: steeds duidelijker werd dat de Romeinen erop uit waren ook Judea onder hun invloedssfeer te brengen. Om dit te realiseren hadden ze het oog laten vallen op Herodes: een man die was opgegroeid in Rome. Formeel was hij een Jood en van koninklijke bloede. Maar hij was niet uit het huis van David. Hem maakten ze tot koning. Herodes was dan wel een Jood, maar in de praktijk bleek het een marionet van Rome te zijn. Het was een wrede vorst die zijn macht zo misbruikte dat hij zelf steeds moest vrezen voor zijn leven. Zo doodde hij op enig moment uit angst zijn eigen vrouw en later zijn oudste zoon. Tegelijkertijd probeerde hij te laten zien dat hij het beste voor had met de Joden: hij herbouwde de tempel. Die werd mooier dan alles wat er daarvoor was geweest. Na zijn dood viel zijn rijk uiteen en braken er opstanden uit: het waren met name vrome, wetsgetrouwe Joden die in opstand kwamen. Zij droomden van een koning uit het huis van David. Hun leuze was dezelfde als die van destijds van de Maccabaeën: "God is de Enige!" Door de vondst van de Dode-Zee-rollen weten we dat er sedertdien steeds opnieuw personen en groepen zijn geweest die droomden over opstand en bevrijding van vreemde overheersers. De strategie van de Romeinen was gebaseerd op het principe van 'verdeel en heers' en daar had Herodes goed in gepast.

Waarschijnlijk werd Jezus kort na de dood van Herodes geboren: een prinsje uit het huis van David. Hij werd door velen gezien als degene, die mogelijk Israël opnieuw zou kunnen bevrijden van de Romeinen. De verhalen over de kindermoord van Bethlehem en over de vlucht van Jozef en Maria naar Egypte laten wellicht een glimp zien van de achterdocht, die er mogelijk ook is geweest bij de opvolgers van Herodes. Het verhaal over de magiërs en de ster, die hen naar Bethlehem leidde, is vermoedelijk gebaseerd op de waarneming van een bijzondere constellatie van de zon en de toen bekende planeten. In hun ogen was dit een teken dat er iets ingrijpends stond te gebeuren. Wat er zoal aan geruchten de ronde deed en hoeveel waarde daaraan werd gehecht zullen we wel nooit weten. Maar het lijdt geen twijfel dat het ontstaan van de Jezusbeweging - met opzet spreek ik niet van 'kerk' want dat zou een anachronisme zijn - samenhangt met een broeiend verzet tegen de Romeinse overheersing en een stellige verwachting dat er veranderingen in het verschiet lagen.

Vanzelfsprekend waren er ook groepen Joden, die er alle belang bij hadden dat de Romeinen aan de macht bleven. Dat waren met name diegenen, die deze Romeinen zagen als hun broodheren. In het kader van het al genoemde 'verdeel en heers' principe maakten de Romeinse overheden graag gebruik, om niet te zeggen misbruik, van deze groep. Ten tijde van het leven van Jezus waren dat met name de Sadduceeën. Aan hen werd door de Romeinen het beheer over de tempel toevertrouwd.

Van de opstandelingen hadden velen zich teruggetrokken in de woestijn. Eén van hen was mogelijk Johannes de Doper, alhoewel het niet zeker is dat hij ambities had om tegen het bewind in verzet te komen. Flavius Josephus vermeldt dat Herodes Agrippa, een kleinzoon van Herodes de Grote, hem vermoordt omdat "hij vreesde voor de grote invloed van Johannes op de menigte."...."Daarom leek het hem raadzaam om hem ter dood te brengen en daarmee te voorkomen dat hij later, wanneer het al te laat was, spijt zou krijgen van een misrekening."

Volgens oude tradities waren Jezus en Johannes neven van elkaar. Uit de evangeliën wordt duidelijk dat Johannes en Jezus een band met elkaar hadden: Jezus sluit zich bij Johannes aan en laat zich door hem dopen. Het zou ons dan ook niet moeten verbazen dat de Romeinse overheden ook de Jezusbeweging vanaf het begin met argusogen hebben gevolgd. Herhaaldelijk blijkt dat ook Jezus een grote aanhang heeft, dat deze scharen hem vaak vergezellen en dat hij hen met gezag toespreekt. Dit leidde ertoe dat, niet lang na de dood van Johannes, ook Jezus wordt gevonnist en met de dood wordt bestraft. Boven het kruis, waaraan hij werd vastgespijkerd, stond het vonnis vermeld: Jezus de Nazoreër, koning der Joden. Evangelisten doen het vaak voorkomen alsof dat 'Nazoreër' niets meer betekent dan dat hij uit Nazaret komt. In werkelijkheid is het de aanduiding van een groep vrome Joden, die een gelofte hebben afgelegd. Het waren vaak vurige nationalisten. Later, tijdens de Joodse opstand, die begon in 66 n. Chr., zouden zij een belangrijke rol spelen. Of Jezus zelf politieke ambities heeft gehad zullen we wel nooit weten. Dat de Romeinen in hem een gevaar zagen en een mogelijke bron van onrust is volstrekt duidelijk. Het zal dan ook niet zonder reden zijn dat het verhaal over de kruisiging onmiddellijk volgt op de intocht als koning en het conflict met de geldwisselaars bij de tempel.

De Joodse opstand liep uit op een catastrofe: de tempel werd verwoest, talloze Joden werden vermoord, anderen als slaven verkocht of naar Rome gebracht waar ze in triomf als verslagenen door de straten werden gevoerd om daarna alsnog te worden gedood of te werk gesteld in de steengroeven met het oog op de bouw van de vredestempel en het Colosseum. Ongetwijfeld waren onder die slachtoffers er ook velen, die behoord hadden tot de 'Jezusbeweging'. Het is dan ook niet overdreven om te concluderen, dat zowel het Christendom als het Jodendom daarna zichzelf opnieuw moest uitvinden. Dit Christendom is wat later 'de kerk' (kyriakos: van de Heer) zou gaan heten, Het Jodendom zonder tempel is wat later het 'Rabijnse Jodendom' genoemd zou worden. Het was dan ook pas na deze oorlog dat er evangeliën werden geschreven, verhalen over het leven, de dood en de opwekking van Jezus. Ook de Handelingen van de apostelen is pas decennia na het einde van de Joodse opstand geschreven. Slechts flarden van brieven van Paulus zijn bewaard gebleven: die dateren van vóór de opstand. Daaruit wordt duidelijk dat Paulus niet de minste interesse heeft voor het leven van Jezus. Voor hem staat "De gezalfde gekruisigd" centraal, waarbij het natuurlijk de grote vraag is wat hij daar precies mee bedoelt. Pas later - zo'n dertig jaar na de Joodse oorlog - zijn deze brieven, voorzien van 'verbeteringen' en commentaar gepubliceerd. De brieven van Paulus, zoals die in het Nieuwe Testament staan, zijn dan ook geen brieven en dus ook nooit zo door Paulus geschreven.

Om kort te gaan: de kerk is ontstaan doordat men zich na de verwoesting van de tempel en het uitsterven van de generatie van apostelen ging afvragen hoe al deze gebeurtenissen geduid zouden moeten worden. Was het verbond, dat JHWH ooit met Israël had gesloten, ontbonden? Was er sprake van een nieuw verbond? Was het offer van Jezus te vergelijken met dat van destijds, het offer van Isaäk? Is het daarom, dat in het evangelie van Marcus - het oudste evangelie - zo wordt benadrukt dat er bij de doop van Jezus in de Joordaan een stem opklinkt uit de hemel die roept: "Dit is mijn zoon, mijn enige, mijn geliefde!"? Wie zou daarbij niet onmiddellijk moeten denken aan het offer van Isaäk, de enige zoon van Abraham, diens geliefde? Zulke vragen zijn het geweest die de bron zijn geworden van een nieuw geloof: het geloof dat eeuwen daarna, na veel discussies, meningsverschillen en concilies waarin bepaalde opvattingen werden verketterd, zal worden vastgelegd in geloofsbelijdenissen.

Terug naar de indexpagina

Reactie? Zend een E-mail